Middelbare scholen die leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs aanbieden, willen wel graag van tevoren weten dat uw kind of uw leerling een alternatief programma gaat volgen. Hoe werkt dat eigenlijk precies?
Scholen voor voortgezet onderwijs moeten in het bezit zijn van een indicatiestelling van leerlingen die extra hulp nodig hebben. Voor geïndiceerde leerlingen ontvangen ze namelijk extra middelen van de rijksoverheid.
Welke leerlingen komen in aanmerking?
Twee categorieën leerlingen komen in aanmerking voor een alternatief onderwijstraject. In de eerste plaats zijn dat de leerlingen met een leerachterstand. Dat kan bijvoorbeeld veroorzaakt worden door een benedengemiddelde intelligentie of het gevolg zijn van sociaal-emotionele problematiek. Deze leerlingen vormen de doelgroep voor het leerwegondersteunend onderwijs (lwoo). In de tweede plaats zijn dat leerlingen die naar alle waarschijnlijkheid niet in staat zijn om een diploma binnen het voortgezet middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) te halen, ook niet met extra ondersteuning. Mogelijke oorzaak is een combinatie van een leerachterstand en een zwakkere intelligentie. Deze leerlingen vormen de doelgroep voor het praktijkonderwijs.
Welke criteria gelden voor lwoo en pro?
Bij de indicatiestelling wordt gekeken naar de leerachterstand, het intelligentiequotiënt en eventuele sociaal-emotionele problematiek. Wilt u hier meer over weten, klik dan hier.